Dutch

Detailed Translations for zich voortbewegen from Dutch to German

zich voortbewegen:

zich voortbewegen verb

  1. zich voortbewegen (gaan; lopen; stappen)
    gehen; laufen; wandern; im Schritt gehen; spazieren; schreiten; bummeln; spazierengehen; sich fortbewegen
    • gehen verb (gehe, gehst, geht, ging, gingt, gegangen)
    • laufen verb (laufe, läufst, läuft, lief, lieft, gelaufen)
    • wandern verb (wandere, wanderst, wandert, wanderte, wandertet, gewandert)
    • spazieren verb (spaziere, spazierst, spaziert, spazierte, spaziertet, spaziert)
    • schreiten verb (schreite, schreitest, schreitet, schrittet, geschritten)
    • bummeln verb (bummele, bummelst, bummelt, bummelte, bummeltet, gebummelt)
    • sich fortbewegen verb (bewege mich fort, bewegst dich fort, bewegt sich fort, bewegte sich fort, bewegtet euch fort, sich fortbewegt)

Translation Matrix for zich voortbewegen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
bummeln gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen aan de zwier gaan; banjeren; boemelen; de hort op gaan; kuieren; lanterfanten; lopen; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; rondlopen; rondslenteren; rondwandelen; slenteren; stappen; uitgaan; verbeuzelen; verknoeien; verlummelen; wandelen
gehen gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen banjeren; de hort op gaan; functioneren; gaan; gaan staan; obsederen; omhoogrijzen; opstaan; rijzen; stappen; uitgaan; zich begeven
im Schritt gehen gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen de hort op gaan; stappen; stapvoets gaan; uitgaan
laufen gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen afdruipen; droppen; druipen; druppelen; druppels laten vallen; druppen; hardlopen; in straaltjes afdruipen; rennen; sijpelen; snellen; spoeden; tempo maken; uitdruppelen
schreiten gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen de hort op gaan; schrijden; stappen; uitgaan; voortschrijden; waardig lopen
sich fortbewegen gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen
spazieren gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen banjeren; drentelen; flaneren; kuieren; lopen; rondslenteren; slenteren; wandelen
spazierengehen gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen banjeren; drentelen; flaneren; kuieren; lopen; rondslenteren; slenteren; wandelen
wandern gaan; lopen; stappen; zich voortbewegen belopen; betreden; bewandelen; een voettocht maken; omzwerven; te voet afleggen; zwerven

External Machine Translations:

Related Translations for zich voortbewegen