Dutch

Detailed Translations for brok from Dutch to German

brok:

brok [de ~] noun

  1. de brok (klont; suikerklontje)
    der Brocken; der Zuckerwürfel; Stück; Kandisstückchen; die Scholle; Klümpchen; der Klumpen

Translation Matrix for brok:

NounRelated TranslationsOther Translations
Brocken brok; klont; suikerklontje bonk; bonkend geluid; brokje; eindje; fragmentje; groot en dik stuk; homp; klein stukje; kleine brok; klont; klonter; partje; snippertje; stukje
Kandisstückchen brok; klont; suikerklontje
Klumpen brok; klont; suikerklontje berg; bonk; bonkend geluid; groot en dik stuk; homp; hoop; kledder; klodder; klont; klonter; kluit; kwak; lik
Klümpchen brok; klont; suikerklontje klompje; klontertje; klontje
Scholle brok; klont; suikerklontje ijsschol; ijsschots; schol
Stück brok; klont; suikerklontje aandeel; basisbestanddeel; bestanddeel; bijdrage; bon; brokje; component; coupon; deel; deeltje; drama; element; fractie; gedeelte; inbreng; ingrediënt; kleine brok; lap; moot; onderdeel; onderdeeltje; part; plak; schouwspel; segment; stuk; stuk stof; toneelstuk; tranche
Zuckerwürfel brok; klont; suikerklontje klontje; suikerklontje

Related Words for "brok":


Wiktionary Translations for brok:

brok
noun
  1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters

Cross Translation:
FromToVia
brok Stück chunk — a part of something
brok Kloß lump — something that protrudes, sticks out, or sticks together; a cluster or blob; a mound, hill, or group
brok Happen morsel — small fragment
brok Stück; Fleck morceauportion séparée d’une chose solide qui peut être manger.
brok gelass; Akt; Akte; Aufzug; Schriftstück; Dokument; Urkunde; Gemach; Stube; Fleck; Stück piècepartie, portion, morceau d’un tout.

Related Translations for brok