Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. integreren:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for integreren from Dutch to German

integreren:

integreren verb (integreer, integreert, integreerde, integreerden, geïntegreerd)

  1. integreren (tot een eenheid worden)
    integrieren; eingliedern
    • integrieren verb (integriere, integrierst, integriert, integrierte, integriertet, integriert)
    • eingliedern verb (gliedere ein, gliederst ein, gliedert ein, gliederte ein, gliedertet ein, eingegliedert)

Conjugations for integreren:

o.t.t.
  1. integreer
  2. integreert
  3. integreert
  4. integreren
  5. integreren
  6. integreren
o.v.t.
  1. integreerde
  2. integreerde
  3. integreerde
  4. integreerden
  5. integreerden
  6. integreerden
v.t.t.
  1. heb geïntegreerd
  2. hebt geïntegreerd
  3. heeft geïntegreerd
  4. hebben geïntegreerd
  5. hebben geïntegreerd
  6. hebben geïntegreerd
v.v.t.
  1. had geïntegreerd
  2. had geïntegreerd
  3. had geïntegreerd
  4. hadden geïntegreerd
  5. hadden geïntegreerd
  6. hadden geïntegreerd
o.t.t.t.
  1. zal integreren
  2. zult integreren
  3. zal integreren
  4. zullen integreren
  5. zullen integreren
  6. zullen integreren
o.v.t.t.
  1. zou integreren
  2. zou integreren
  3. zou integreren
  4. zouden integreren
  5. zouden integreren
  6. zouden integreren
en verder
  1. ben geïntegreerd
  2. bent geïntegreerd
  3. is geïntegreerd
  4. zijn geïntegreerd
  5. zijn geïntegreerd
  6. zijn geïntegreerd
diversen
  1. integreer!
  2. integreert!
  3. geïntegreerd
  4. integrerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for integreren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
eingliedern integreren; tot een eenheid worden inpassen; passen in
integrieren integreren; tot een eenheid worden

Wiktionary Translations for integreren:

integreren
verb
  1. tot een samenhangende groep maken

Cross Translation:
FromToVia
integreren assimilieren assimilate — to absorb a group of people into a community