Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. ras:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for ras from Dutch to German

ras:

ras [het ~] noun

  1. het ras (soort; slag)
    die Sorte; der Schlag; die Art

Translation Matrix for ras:

NounRelated TranslationsOther Translations
Art ras; slag; soort aard; geaardheid; gemoed; gemoedsaard; gemoedsgesteldheid; genre; gesteldheid; handelwijze; hoedanigheid; inborst; inslag; karakter; kwaliteit; manier; mentaliteit; methode; natuur; procedure; slag; soort; stam; temperament; trant; type; volksstam; wijs; wijze
Schlag ras; slag; soort bliksem; bliksemflits; bliksemschicht; bliksemslag; bons; conciërge; dreun; duivenhok; duiventil; duw; duwtje; flits; hengst; jens; klap; klop; knal; lel; mep; muilpeer; olifantspijp; opdonder; opduvel; oplawaai; peut; pof; por; portier; slag; soulpijp; stoot; stootje; tik; toegebrachte klap; uithaal; vuistslag; wijde broekspijp; zet
Sorte ras; slag; soort aard; genre; klasse; onderverdeling; slag; soort; type

Related Words for "ras":


Wiktionary Translations for ras:

ras
noun
  1. groep waarin mensen, dieren of planten op basis van bepaalde eigenschappen worden verdeeld: het gele ras, het zwarte ras, het blanke ras
ras
noun
  1. Biologie: Untergruppe einer Art mit besonders vielen gemeinsamen phänotypischen Merkmalen

Cross Translation:
FromToVia
ras Sorte; Art kind — type, race, category
ras Geschlecht; Rasse race — a large group of people set apart from others on the basis of a common heritage
ras Rasse race — a breed or strain of domesticated animal
ras Rasse ras — groep waarin mensen, dieren of planten op basis van bepaalde eigenschappen worden verdeeld: het gele ras, het zwarte ras, het blanke ras
ras Rasse race — (vieilli) lignée, ensemble des ascendants et des descendants d’une même famille.

Related Translations for ras