Dutch

Detailed Translations for maan- from Dutch to English

maan:

maan [de ~] noun

  1. de maan
    the moon

Translation Matrix for maan:

NounRelated TranslationsOther Translations
moon maan

Related Words for "maan":

  • manen, maantje, maantjes

Related Definitions for "maan":

  1. hemellichaam dat in baan rond de aarde draait en 's nachts te zien is1
    • zie de maan schijnt door de bomen1

Wiktionary Translations for maan:

maan
noun
  1. month
  2. any substantially sized natural satellite of a planet
  3. largest natural satellite of planet Earth
  4. longer hair growth around head of male lions
  5. longer hair growth on back of neck of a horse
proper noun
  1. sole natural satellite of the Earth

Cross Translation:
FromToVia
maan moon; Moon Mondursprünglich ausschließlich, (umgangssprachlich): der die Erde umkreisende Mond, der Erdmond, natürlicher Satellit, Trabant der Erde
maan mane crinièreensemble des crins qui garnir le cou de certains animaux, comme le cheval, le lion.
maan Moon; Luna; moon; satellite lune — astronomie|fr (s) satellite naturel de la Terre, qui tourne autour de celle-ci en un cycle de vingt-sept jours sept heures quarante-trois minutes. Plus souvent écrit Lune.

maan- form of manen:

manen verb (maan, maant, maande, maanden, gemaand)

  1. manen (vermanen; waarschuwen; berispen; terechtwijzen)
    to warn; to reprimand; to admonish; to denounce; to reprove; to decry; to castigate; to rebuke; to blame; to exhort; to scarify
    • warn verb (warns, warned, warning)
    • reprimand verb (reprimands, reprimanded, reprimanding)
    • admonish verb (admonishes, admonished, admonishing)
    • denounce verb (denounces, denounced, denouncing)
    • reprove verb (reproves, reproved, reproving)
    • decry verb (decries, decried, decrying)
    • castigate verb (castigates, castigated, castigating)
    • rebuke verb (rebukes, rebuked, rebuking)
    • blame verb (blames, blamed, blaming)
    • exhort verb (exhorts, exhorted, exhorting)
    • scarify verb (scarifies, scarified, scarifying)
  2. manen (aanmanen; aanmanen tot een verplichting; sommeren)
    to summon; to dun; to exhort; to call upon
    • summon verb (summons, summoned, summoning)
    • dun verb (duns, dunned, dunning)
    • exhort verb (exhorts, exhorted, exhorting)
    • call upon verb (calls upon, called upon, calling upon)
  3. manen (iemand aansporen)
    to exhort; to dun
    • exhort verb (exhorts, exhorted, exhorting)
    • dun verb (duns, dunned, dunning)
  4. manen (met aandrang herinneren; rappelleren)
    to urge; remind forcefully; remind strongly

Conjugations for manen:

o.t.t.
  1. maan
  2. maant
  3. maant
  4. manen
  5. manen
  6. manen
o.v.t.
  1. maande
  2. maande
  3. maande
  4. maanden
  5. maanden
  6. maanden
v.t.t.
  1. heb gemaand
  2. hebt gemaand
  3. heeft gemaand
  4. hebben gemaand
  5. hebben gemaand
  6. hebben gemaand
v.v.t.
  1. had gemaand
  2. had gemaand
  3. had gemaand
  4. hadden gemaand
  5. hadden gemaand
  6. hadden gemaand
o.t.t.t.
  1. zal manen
  2. zult manen
  3. zal manen
  4. zullen manen
  5. zullen manen
  6. zullen manen
o.v.t.t.
  1. zou manen
  2. zou manen
  3. zou manen
  4. zouden manen
  5. zouden manen
  6. zouden manen
en verder
  1. ben gemaand
  2. bent gemaand
  3. is gemaand
  4. zijn gemaand
  5. zijn gemaand
  6. zijn gemaand
diversen
  1. maan!
  2. maant!
  3. gemaand
  4. manend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for manen:

NounRelated TranslationsOther Translations
blame berisping; blaam; gisping; kwalijk nemen; lering; reprimande; standje; terechtwijzing; verwijt
reprimand berisping; gisping; lering; reprimande; standje; terechtwijzing; verwijt
summon dagvaarding
urge aandrift; drift; genoegen; genot; instinct; lust; wellust
VerbRelated TranslationsOther Translations
admonish berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
blame berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen aanmerken; aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden; wijten
call upon aanmanen; aanmanen tot een verplichting; manen; sommeren inroepen
castigate berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen aframmelen; afranselen; afrossen; afstraffen; aftuigen; hekelen; in elkaar timmeren; straffen; toetakelen; verketteren
decry berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen hekelen; verketteren
denounce berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen aanklagen; afkeuren; afstemmen; afwijzen; beschuldigen; betichten; klikken; slecht voorstellen; ten laste leggen; verketteren; verklappen; verwerpen
dun aanmanen; aanmanen tot een verplichting; iemand aansporen; manen; sommeren herinneren; in herinnering brengen; memoreren
exhort aanmanen; aanmanen tot een verplichting; berispen; iemand aansporen; manen; sommeren; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
rebuke berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen aanmerken; aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; bestraffen; blameren; gispen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; sancties treffen; straffen; terechtwijzen; vermanen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden
remind forcefully manen; met aandrang herinneren; rappelleren
remind strongly manen; met aandrang herinneren; rappelleren
reprimand berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen aanmerken; aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; bestraffen; blameren; gispen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; sancties treffen; straffen; terechtwijzen; vermanen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden
reprove berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen berispen; terechtwijzen; vermanen
scarify berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
summon aanmanen; aanmanen tot een verplichting; manen; sommeren dagen; dagvaarden; laten komen; ontbieden; oproepen; sommeren; tevoorschijn roepen; voor het gerecht dagen; voor het gerecht ontbieden; voor het gerecht roepen
urge manen; met aandrang herinneren; rappelleren aandrijven; aandringen; aanhouden; aansporen; aanzetten; aanzetten tot; animeren; instigeren; op iets aandringen; opkrikken; opwekken; prikkelen; provoceren; stimuleren
warn berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
dun grijs-bruin; vaalbruin

Related Words for "manen":


Wiktionary Translations for manen:

manen
en-plural noun
  1. spirits of the dead
verb
  1. urge
  2. to warn

Cross Translation:
FromToVia
manen engage; admonish; exhort; tell off engagermettre en gage, donner en gage.
manen exhort; admonish exhorterexciter, encourager par ses paroles.
manen reprove; upbraid; tell off; blame; rage; bellow; boom gronder — Faire entendre un bruit sourd, parler des animaux, du tonnerre ou du vent.
manen take; regain reprendre — Prendre de nouveau. (Sens général)
manen admonish; exhort; tell off; blame; rebuke; reproach; reprove; scold; reprimand; upbraid réprimanderreprendre quelqu’un avec autorité, lui reprocher sa faute.

Related Translations for maan-