Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. hartstochtelijkheid:


Dutch

Detailed Translations for hartstochtelijkheid from Dutch to English

hartstochtelijkheid:

hartstochtelijkheid [znw.] noun

  1. hartstochtelijkheid (passie; hartstocht; overgave; )
    the passion; the heartiness; the ardor; the craze; the ardour; the fieriness; the fire

Translation Matrix for hartstochtelijkheid:

NounRelated TranslationsOther Translations
ardor gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur drift; elan; genegenheid; genoegen; genot; gloed; hartstocht; innigheid; liefde; lust; passie; pit; vlam; vuur; wellust
ardour gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur drift; elan; genegenheid; genoegen; genot; gloed; hartstocht; innigheid; liefde; lust; passie; pit; vlam; vuur; wellust
craze gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur drift; genoegen; genot; lust; manie; overdreven voorliefde; pathologische opgewondenheid; rage; wellust
fieriness gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur driftigheid; heftigheid
fire gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur brand; fik; haardvuur; kachel; kacheltje; kleine kachel; schieten; verwarming; vuren; vuur
heartiness gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur aardigheid; hartelijkheid; jovialiteit; vriendelijkheid
passion gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; overgave; passie; vurigheid; vuur begeerte; bezetenheid; devotie; drift; genegenheid; genoegen; genot; gevoel; hartstocht; heftig verlangen; ijver; inzet; jool; leut; lust; obsessie; overgave; passie; plezier; pret; seksuele begeerte; sentiment; toegewijdheid; toewijding; trouw; vuur; wellust; zorgzaamheid
VerbRelated TranslationsOther Translations
fire aan de dijk zetten; aanmoedigen; aanvuren; afbranden; afdanken; afschieten; afvloeien; afvuren; bezielen; congé geven; eruit gooien; leegbranden; ontheffen; ontslaan; platbranden; schieten; schoten lossen; toejuichen; uitbranden; uitsturen; van zijn positie verdrijven; verzenden; vuren; wegsturen; wegzenden