Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. behandeld:
  2. behandelen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for behandeld from Dutch to Spanish

behandeld:

behandeld adj

  1. behandeld

Translation Matrix for behandeld:

NounRelated TranslationsOther Translations
tratado afspraak; akkoord; band; binding; bond; bondgenootschap; contract; coöperatie; evenbeeld; federatie; liga; overeenkomst; pact; regeling; samenwerkingsverband; schikking; traktaat; traktaatje; unie; verbond; verdrag
ModifierRelated TranslationsOther Translations
tratado behandeld

behandeld form of behandelen:

behandelen verb (behandel, behandelt, behandelde, behandelden, behandeld)

  1. behandelen (verzorgen)
  2. behandelen (iets afhandelen)
  3. behandelen (onder behandeling nemen)
    tratar

Conjugations for behandelen:

o.t.t.
  1. behandel
  2. behandelt
  3. behandelt
  4. behandelen
  5. behandelen
  6. behandelen
o.v.t.
  1. behandelde
  2. behandelde
  3. behandelde
  4. behandelden
  5. behandelden
  6. behandelden
v.t.t.
  1. heb behandeld
  2. hebt behandeld
  3. heeft behandeld
  4. hebben behandeld
  5. hebben behandeld
  6. hebben behandeld
v.v.t.
  1. had behandeld
  2. had behandeld
  3. had behandeld
  4. hadden behandeld
  5. hadden behandeld
  6. hadden behandeld
o.t.t.t.
  1. zal behandelen
  2. zult behandelen
  3. zal behandelen
  4. zullen behandelen
  5. zullen behandelen
  6. zullen behandelen
o.v.t.t.
  1. zou behandelen
  2. zou behandelen
  3. zou behandelen
  4. zouden behandelen
  5. zouden behandelen
  6. zouden behandelen
diversen
  1. behandel!
  2. behandelt!
  3. behandeld
  4. behandelende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for behandelen:

NounRelated TranslationsOther Translations
despachar afgeven; afleveren; aflevering
tratar proberen; trachten
VerbRelated TranslationsOther Translations
asistir de behandelen; verzorgen
atender a behandelen; verzorgen aandachtig luisteren; gehoorzamen; gunnen; iets toekennen; luisteren; ondervragen; opletten; overhoren; toebedelen; toekennen; toeluisteren; toewijzen; uithoren; uitvragen; verhoren; verzorgen; zorgen voor; zorgen voor iets
despachar behandelen; iets afhandelen beroeren; bewegen; demonteren; herstellen; iets verplaatsen; in beweging brengen; in orde brengen; in orde maken; ontheffen; ontmantelen; ontslaan; onttakelen; uit elkaar halen; uit elkaar nemen; uiteen nemen; uitklaren; uitsturen; verhuizen; verkassen; verleggen; verzenden; wegsturen; wegzenden
elaborar behandelen; verzorgen afbakenen; afpalen; afwisselen; afzetten; begrenzen; boetseren; fabriceren; herzien; maken; modelleren; omlijnen; ontplooien; ontwikkelen; produceren; tot ontwikkeling brengen; tot wasdom komen; uitstippelen; uitzetten; veranderen; vervaardigen; verwisselen; voortbrengen; vorm geven; vormen; wijzigen
labrar behandelen; verzorgen omgraven; omploegen; omspitten; omwerken; ploegen; spitten
tramitar behandelen; iets afhandelen zorgdragen voor iemand
tratar behandelen; iets afhandelen; onder behandeling nemen; verzorgen aanpakken; aanvatten; bejegenen; betrachten; onderuithalen; pogen; proberen; tekkelen; trachten

Related Definitions for "behandelen":

  1. erover praten of schrijven1
    • de leraar behandelt het onderwerp 'metalen'1
  2. met iets of iemand omgaan1
    • 'voorzichtig behandelen' stond er op de doos1
  3. proberen beter te maken1
    • de dokter behandelt de patiënt1

Wiktionary Translations for behandelen:

behandelen
verb
  1. verwerken
  2. bespreken, spreken of schrijven over
  3. medisch verzorgen

Cross Translation:
FromToVia
behandelen mencionar cover — mention
behandelen ocuparse; manejar deal — handle, manage
behandelen conducir; gestionar demean — To manage; to conduct; to treat.
behandelen tratar treat — to discourse, to represent
behandelen tratado treat — to handle a subject in writing or speaking
behandelen tratar treat — to handle, deal with or behave towards in a specific way
behandelen tratar treat — to care for medicinally or surgically
behandelen sanar; curar; guarir guérirdélivrer d’un mal physique.
behandelen sanar; curar; guarir guérir — Se délivrer d’un mal physique.
behandelen cuidar; atender a; cuidar de; curar; medicar soigneravoir soin de quelqu’un ou de quelque chose.
behandelen tratar traiter — Traductions à trier suivant le sens