Dutch

Detailed Translations for ongelukkige from Dutch to Spanish

ongelukkige:

ongelukkige [znw.] noun

  1. ongelukkige
    el pobre; el pobrecito; el infeliz; el desgraciado; la pobrecita; el pobre diablo

Translation Matrix for ongelukkige:

NounRelated TranslationsOther Translations
desgraciado ongelukkige bastaard; buitenechtelijk kind; drommel; ellendeling; etter; etterbak; galbak; hork; kinkel; klier; kreng; lelijkerd; lomperd; mispunt; proleet; schlemiel; schoft; schurk; slemiel; slungel; smeerlap; stakker; stuk ongeluk; stumper; sukkel; vlegel; watje; zielenpiet
infeliz ongelukkige
pobre ongelukkige arme drommel; armoedzaaiers; bliksem; bliksemflits; bliksemschicht; bliksemslag; flits; pauper; stakkerd; sukkelaar
pobre diablo ongelukkige schooier; slodder; slodderkous; sloddervos; sloeber; slons
pobrecita ongelukkige drommel; stakker; stumper; zielenpiet
pobrecito ongelukkige arme drommel; bliksem; bliksemflits; bliksemschicht; bliksemslag; drommel; flits; stakker; stakkerd; stumper; sukkel; sukkelaar; zielenpiet
ModifierRelated TranslationsOther Translations
desgraciado betreurenswaardig; deerlijk; godgeklaagd; hemeltergend; jammer; jammerlijk; naar; naargeestig; onbevredigend; onfortuinlijk; ongelukkig; ontoereikend; onvoldoende; onvolwaardig; onzalig; rampspoedig; rouwig; schandalig; schandelijk; sneu; somber; spijtig; teleurstellend; ten hemel schreiend; treurig; verdrietig; verfoeilijk; vol tegenslag; zeer ergerlijk
infeliz onfortuinlijk; ongelukkig
pobre arm; armelijk; armetierig; armoedig; armzalig; bar; bekaaid; berooid; deerlijk; deerniswekkend; deplorabel; dun; ellendig; er bekaaid afkomen; erbarmelijk; erg; flodderig; geen vet op de botten hebbende; haveloos; iel; karig; krap; luizig; luttel; mager; meelijwekkend; miserabel; niet overvloedig; onbemiddeld; ongegoed; onvermogend; pover; rampzalig; schamel; schooierig; schraal; schriel; sjofel; sjofeltjes; verlopen; weinig

Related Words for "ongelukkige":


ongelukkig:


Translation Matrix for ongelukkig:

NounRelated TranslationsOther Translations
desdichado drommel; stakker; stumper; zielenpiet
desgraciado bastaard; buitenechtelijk kind; drommel; ellendeling; etter; etterbak; galbak; hork; kinkel; klier; kreng; lelijkerd; lomperd; mispunt; ongelukkige; proleet; schlemiel; schoft; schurk; slemiel; slungel; smeerlap; stakker; stuk ongeluk; stumper; sukkel; vlegel; watje; zielenpiet
infeliz ongelukkige
ModifierRelated TranslationsOther Translations
catastrófico ellendig; funest; noodlottig; ongelukkig; rampzalig catastrofaal; rampspoedig; rampzalig; vol tegenslag
deplorable onfortuinlijk; ongelukkig armzalig; bar; bedonderd; bedrukt; beklagenswaardig; belazerd; beroerd; betreurenswaardig; deerlijk; deerniswekkend; deplorabel; diep ongelukkig; ellendig; ellendige; erbarmelijk; erg; ernstig; gedrukt; godgeklaagd; grauw; hemeltergend; jammer; jammerlijk; karig; kwalijk; lamlendig; mager; meelijwekkend; miserabel; mismoedig; mistroostig; moedeloos; neerslachtig; onbevredigend; ontoereikend; onvoldoende; pover; rampzalig; rouwig; schamel; schraal; sneu; somber; spijtig; stakkerig; teleurstellend; ten hemel schreiend; teneergeslagen; terneergeslagen; treurig; triest; troosteloos; van bedenkelijke aard; verdrietig; vreugdeloos; week; zeer ergerlijk; zielig; zwak
desafortunado onfortuinlijk; ongelukkig; onzalig heilloos; kansarm; misdeeld; noodlottig; rampspoedig; vol tegenslag
desastroso ellendig; funest; noodlottig; ongelukkig; rampzalig catastrofaal; deerlijk; desastreus; fataal; fnuikend; heilloos; noodlottig; rampspoedig; rampzalig; vol tegenslag; zeer slecht
desdichado onfortuinlijk; ongelukkig; onzalig onvolwaardig
desgraciado onfortuinlijk; ongelukkig; onzalig betreurenswaardig; deerlijk; godgeklaagd; hemeltergend; jammer; jammerlijk; naar; naargeestig; onbevredigend; ontoereikend; onvoldoende; onvolwaardig; rampspoedig; rouwig; schandalig; schandelijk; sneu; somber; spijtig; teleurstellend; ten hemel schreiend; treurig; verdrietig; verfoeilijk; vol tegenslag; zeer ergerlijk
infeliz onfortuinlijk; ongelukkig
infortunado onfortuinlijk; ongelukkig
lamentable onfortuinlijk; ongelukkig akelig; armoedig; armzalig; bar; bedonderd; bedrukt; belazerd; beroerd; bijzonder; buitengemeen; buitengewoon; buitensporig; deerlijk; deerniswekkend; deplorabel; diep ongelukkig; ellendig; ellendige; erbarmelijk; erg; excessief; extreem; flodderig; gedrukt; haveloos; heel erg; hogelijk; jammerend; jeremiërend; klaaglijk; klagerig; meelijwekkend; miserabel; mismoedig; mistroostig; moedeloos; naar; naargeestig; neerslachtig; pover; rampzalig; rouwig; schamel; sjofel; sjofeltjes; somber; ten zeerste; teneergeslagen; terneergeslagen; treurig; uitermate; uiterst; verdrietig; verlopen; week; zeer; zwak
triste onfortuinlijk; ongelukkig aan een ziekte lijdend; armzalig; bar; bedroefd; bedroevend; bedrukt; deerlijk; deerniswekkend; deplorabel; droef; droefgeestig; droevig; druilerig; ellendig; ellendige; erbarmelijk; erg; gedrukt; grauw; helaas; jammer; jammer genoeg; meelijwekkend; melancholisch; melancholische; miezerig; miserabel; mismoedig; mistroostig; moedeloos; naargeestig; neerslachtig; pessimistisch; rampzalig; rouwig; sneu; somber; spijtig; teneergeslagen; terneergeslagen; treurig; triest; troosteloos; verdrietig; vreugdeloos; week; ziek; zwaarmoedig; zwak
trágico ellendig; funest; noodlottig; onfortuinlijk; ongelukkig; rampzalig catastrofaal; deerlijk; dramatisch; fataal; fnuikend; helaas; jammer; jammer genoeg; noodlottig; rampspoedig; rampzalig; rouwig; schandalig; schandelijk; sneu; spijtig; tragisch; treurig; verdrietig; verfoeilijk

Related Words for "ongelukkig":

  • ongelukkiger, ongelukkigere, ongelukkigst, ongelukkigste, ongelukkige

Synonyms for "ongelukkig":


Antonyms for "ongelukkig":


Related Definitions for "ongelukkig":

  1. met een lichamelijk of geestelijk gebrek1
    • zij hebben een ongelukkig kind1
  2. niet blij of opgewekt1
    • wat kijk je ongelukkig!1
  3. wat ongunstige gevolgen heeft1
    • door een ongelukkig toeval zat hij in dat vliegtuig1

Wiktionary Translations for ongelukkig:


Cross Translation:
FromToVia
ongelukkig infeliz; desgraciado malheureux — Qui porte malheur, qui annonce ou qui cause du malheur. (Sens général)