Dutch

Detailed Translations for opstrijken from Dutch to Spanish

opstrijken:

opstrijken verb (strijk op, strijkt op, streek op, streken op, opgestreken)

  1. opstrijken (in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen)

Conjugations for opstrijken:

o.t.t.
  1. strijk op
  2. strijkt op
  3. strijkt op
  4. strijken op
  5. strijken op
  6. strijken op
o.v.t.
  1. steerk op
  2. streek op
  3. streek op
  4. streken op
  5. streken op
  6. streken op
v.t.t.
  1. heb opgestreken
  2. hebt opgestreken
  3. heeft opgestreken
  4. hebben opgestreken
  5. hebben opgestreken
  6. hebben opgestreken
v.v.t.
  1. had opgestreken
  2. had opgestreken
  3. had opgestreken
  4. hadden opgestreken
  5. hadden opgestreken
  6. hadden opgestreken
o.t.t.t.
  1. zal opstrijken
  2. zult opstrijken
  3. zal opstrijken
  4. zullen opstrijken
  5. zullen opstrijken
  6. zullen opstrijken
o.v.t.t.
  1. zou opstrijken
  2. zou opstrijken
  3. zou opstrijken
  4. zouden opstrijken
  5. zouden opstrijken
  6. zouden opstrijken
en verder
  1. is opgestreken
  2. zijn opgestreken
diversen
  1. strijk op!
  2. strijkt op!
  3. opgestreken
  4. opstrijkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for opstrijken:

NounRelated TranslationsOther Translations
evitar afdraaien; afwenden; afzwenken; wegdraaien
VerbRelated TranslationsOther Translations
aceptar in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken aannemen; aanvaarden; accepteren; adopteren; billijken; goedkeuren; in ontvangst nemen; inwilligen; ontvangen; toestaan; vergunnen; voor lief nemen; zich laten gevallen
embolsar in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken geld in ontvangst nemen; incasseren; innen
embolsarse in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken
escapar in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken achterhouden; achteroverdrukken; er tussenuit knijpen; er vandoor gaan; floepen; gappen; glippen; inpikken; jatten; loskomen; mijden; ontglippen; ontkomen; ontlopen; ontschieten; ontslagen worden; ontsnappen; ontsnappen aan; ontvallen; ontvluchten; ontvreemden; ontwijken; op vrije voeten gesteld worden; per ongeluk zeggen; pikken; stelen; uit de weg gaan; uitwijken; uitwijken voor iets; verdonkeremanen; verduisteren; vermijden; verspreken; vervreemden; vluchten; vrijkomen; wegfutselen; wegglippen; wegkapen; wegkomen; weglopen; wegpikken; wegrennen; wegvluchten; zich bevrijden; zich vrijmaken
escapar de in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken mijden; ontglippen; ontkomen; ontlopen; ontsnappen aan; ontvluchten; ontwijken; uit de weg gaan; uitwijken voor iets; vermijden; vluchten; wegkomen; weglopen; wegrennen; zich vrijmaken
escaparse in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken de plaat poetsen; ervandoor gaan; floepen; glippen; hem smeren; losbreken; loskomen; ontslagen worden; ontsnappen; op vrije voeten gesteld worden; uitwijken voor iets; vrijkomen; wegglippen; zich bevrijden; zich met geweld losbreken; zich uit de voeten maken
evitar in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken achterhouden; achteroverdrukken; afhouden; een bezwaar ondervangen; gappen; inpikken; jatten; mijden; omzeilen; ondervangen; ontduiken; ontlopen; ontvreemden; ontwijken; pikken; stelen; uit de weg gaan; uitwijken voor iets; verdonkeremanen; verduisteren; vermijden; vervreemden; voorkomen; wegfutselen; wegkapen; wegpikken; weren
huir in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken deserteren; het leger ontvluchten; vlieden; vluchten; wegvluchten
huir de in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken ontvlieden
huirse de in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken
recibir in ontvangst nemen; krijgen; ontvangen; opstrijken aannemen; aanvaarden; accepteren; binnenhalen; eigen maken; iets bemachtigen; in ontvangst nemen; kennis opdoen; kopen; leren; meekrijgen; meepikken; onthalen; ontvangen; oppikken; opsteken; vergasten; verkrijgen; verwelkomen; verwerven; welkom heten