Summary
Dutch to French:   more detail...
  1. niks:
  2. niksen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for niks from Dutch to French

niks:

niks adj

  1. niks (niets)

Translation Matrix for niks:

NounRelated TranslationsOther Translations
rien bagatel; dingetje; flinter; floers; futiliteit; kleinigheid; krats; niemendalletje; onbelangrijk iets; peulenschil; scheutje; schijntje; snufje; spotprijs; vleugje; waas; wissewasje; zweem
PronounRelated TranslationsOther Translations
- niets
ModifierRelated TranslationsOther Translations
ne rien niets; niks
rien niets; niks

Synonyms for "niks":


Antonyms for "niks":


Related Definitions for "niks":

  1. geen ding1
    • kijk maar, ik heb niks in mijn tas1

Wiktionary Translations for niks:

niks
  1. -

Cross Translation:
FromToVia
niks rien nix — colloquial: nothing
niks rien; ne + verb + rien nothing — not any thing

niksen:

niksen verb (niks, nikst, nikste, niksten, genikst)

  1. niksen (lanterfanten; luieren; lummelen; rondhangen; nietsdoen)
    fricoter; paresser; bricoler; flâner; déconner; traînasser; traîner; cochonner; fainéanter
    • fricoter verb (fricote, fricotes, fricotons, fricotez, )
    • paresser verb (paresse, paresses, paressons, paressez, )
    • bricoler verb (bricole, bricoles, bricolons, bricolez, )
    • flâner verb (flâne, flânes, flânons, flânez, )
    • déconner verb (déconne, déconnes, déconnons, déconnez, )
    • traînasser verb (traînasse, traînasses, traînassons, traînassez, )
    • traîner verb (traîne, traînes, traînons, traînez, )
    • cochonner verb (cochonne, cochonnes, cochonnons, cochonnez, )
    • fainéanter verb (fainéante, fainéantes, fainéantons, fainéantez, )
  2. niksen (rondhangen; rondlummelen)
    traîner; flâner; traînasser
    • traîner verb (traîne, traînes, traînons, traînez, )
    • flâner verb (flâne, flânes, flânons, flânez, )
    • traînasser verb (traînasse, traînasses, traînassons, traînassez, )

Conjugations for niksen:

o.t.t.
  1. niks
  2. nikst
  3. nikst
  4. niksen
  5. niksen
  6. niksen
o.v.t.
  1. nikste
  2. nikste
  3. nikste
  4. niksten
  5. niksten
  6. niksten
v.t.t.
  1. heb genikst
  2. hebt genikst
  3. heeft genikst
  4. hebben genikst
  5. hebben genikst
  6. hebben genikst
v.v.t.
  1. had genikst
  2. had genikst
  3. had genikst
  4. hadden genikst
  5. hadden genikst
  6. hadden genikst
o.t.t.t.
  1. zal niksen
  2. zult niksen
  3. zal niksen
  4. zullen niksen
  5. zullen niksen
  6. zullen niksen
o.v.t.t.
  1. zou niksen
  2. zou niksen
  3. zou niksen
  4. zouden niksen
  5. zouden niksen
  6. zouden niksen
diversen
  1. niks!
  2. nikst!
  3. genikst
  4. niksend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for niksen:

NounRelated TranslationsOther Translations
bricoler klussen
VerbRelated TranslationsOther Translations
bricoler lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen aanmodderen; aanrommelen; aanrotzooien; broddelen; dokteren; fröbelen; klusje opknappen; klussen; knoeien; knutselen; prutsen; rommelen; rotzooien; scharrelen; sleutelen
cochonner lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen aanrommelen; aanrotzooien; haspelen; kladderen; kliederen; klodderen; knoeien; rotzooien; scharrelen; scharrelen van kip; tot een warboel maken; verwarren
déconner lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen aanklooien; klooien; rotzooien
fainéanter lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen dralen; drentelen; leeglopen; talmen; teuten; treuzelen; vrijlopen
flâner lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; rondlummelen banjeren; drentelen; flaneren; leeglopen; rondlopen; rondslenteren; rondwandelen; sjokken; slenteren; verdwaald zijn; voortsukkelen; vrijlopen
fricoter lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen sjoemelen
paresser lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen
traînasser lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; rondlummelen aarzelen; dralen; drentelen; druilen; dubben; hannesen; talmen; teuten; treuzelen; weifelen; zaniken; zeiken; zeuren
traîner lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; rondlummelen aanslepen; aarzelen; dralen; drentelen; dubben; flaneren; gebukt gaan onder; rondlopen; rondslenteren; rondslingeren; rondwandelen; sjouwen; slenteren; slepen; sleuren; slingeren; talmen; teuten; torsen; trekken; treuzelen; verdwaald zijn; versjouwen; verslepen; voorttrekken; weifelen; zeulen