Summary
Dutch to Swedish:   more detail...
  1. gestoord:
  2. storen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for gestoord from Dutch to Swedish

gestoord:


storen:

storen verb (stoor, stoort, stoorde, stoorden, gestoord)

  1. storen (hinderen; onmogelijk maken)
    hämma; hejda; hindra
    • hämma verb (hämmar, hämmade, hämmat)
    • hejda verb (hejdar, hejdade, hejdjat)
    • hindra verb (hindrar, hindrade, hindrat)
  2. storen (onmogelijk maken; hinderen)
    omöjliggöra; förhindra; hindra; blockera
    • omöjliggöra verb (omöjliggör, omöjliggjorde, omöjligjort)
    • förhindra verb (förhindrar, förhindrade, förhindrat)
    • hindra verb (hindrar, hindrade, hindrat)
    • blockera verb (blockerar, blockerade, blockerat)

Conjugations for storen:

o.t.t.
  1. stoor
  2. stoort
  3. stoort
  4. storen
  5. storen
  6. storen
o.v.t.
  1. stoorde
  2. stoorde
  3. stoorde
  4. stoorden
  5. stoorden
  6. stoorden
v.t.t.
  1. heb gestoord
  2. hebt gestoord
  3. heeft gestoord
  4. hebben gestoord
  5. hebben gestoord
  6. hebben gestoord
v.v.t.
  1. had gestoord
  2. had gestoord
  3. had gestoord
  4. hadden gestoord
  5. hadden gestoord
  6. hadden gestoord
o.t.t.t.
  1. zal storen
  2. zult storen
  3. zal storen
  4. zullen storen
  5. zullen storen
  6. zullen storen
o.v.t.t.
  1. zou storen
  2. zou storen
  3. zou storen
  4. zouden storen
  5. zouden storen
  6. zouden storen
en verder
  1. ben gestoord
  2. bent gestoord
  3. is gestoord
  4. zijn gestoord
  5. zijn gestoord
  6. zijn gestoord
diversen
  1. stoor!
  2. stoort!
  3. gestoord
  4. storend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for storen:

NounRelated TranslationsOther Translations
förhindra belemmeren; beperken; preventie
VerbRelated TranslationsOther Translations
blockera hinderen; onmogelijk maken; storen afbreken; blokkeren; doen ophouden; onderbreken; stremmen
förhindra hinderen; onmogelijk maken; storen afhouden; belemmeren; beletten; onmogelijk maken; verhinderen; voorkomen; voorkómen; weren
hejda hinderen; onmogelijk maken; storen belemmeren; beletten; halt houden; ophouden; remmen; stopzetten; tegenhouden; tot staan brengen; verhinderen
hindra hinderen; onmogelijk maken; storen achterhouden; afbreken; afhouden; belemmeren; beletten; beteugelen; doen mislukken; doen ophouden; doen stoppen; dwarsbomen; dwarsliggen; een stokje steken voor; ervanaf houden; geen afstand doen van; houden; inhouden; onderbreken; onmogelijk maken; tegenwerken; verhinderen; verijdelen; voorkomen; voorkómen; weerhouden
hämma hinderen; onmogelijk maken; storen belemmeren; beletten; halt houden; lenen; onmogelijk maken; ontlenen; ophouden; rekken; remmen; stelpen; stillen; stopzetten; tegenhouden; temporiseren; tot staan brengen; verhinderen; vertragen
omöjliggöra hinderen; onmogelijk maken; storen

Wiktionary Translations for storen:

storen
verb
  1. het functioneren nadelig beïnvloeden

Cross Translation:
FromToVia
storen störa disturb — confuse or irritate
storen skava gall — to chafe
storen inkräkta intrude — intrude
storen plåga; hindra gêner — Causer de la gêne

Related Translations for gestoord